Waarom buiten zijn zo gezond is

Lente: hét seizoen om weer lekker naar buiten te gaan! Wist je dat veel mensen gemiddeld maar liefst 90% van hun dag binnen doorbrengen? En dat terwijl buiten zijn goed is voor je fysieke en mentale gezondheid. Hieronder lees je waarom buiten zijn eigenlijk zo gezond is. Wedden dat je na het lezen van dit artikel een frisse neus gaat halen?

Buiten zijn vermindert stress

Uit diverse onderzoeken blijkt dat het stresshormoon cortisol afneemt als je buiten bent. Ook je hartslag, bloeddruk en spierspanning nemen af. Voel je je wel eens gestrest of overweldigd? Komt er niets meer uit je handen? Stroomt je hoofd over? Ga dan naar buiten en maak een ontspannende wandeling! Bovendien is wandelen een laagdrempelige manier om tijdens de coronacrisis fit te blijven.

Buiten zijn zorgt ervoor dat je vitamine D aanmaakt

Vitamine D is een belangrijke vitamine. Zo heb je bijvoorbeeld vitamine D nodig om calcium uit voeding op te nemen. Daarom is vitamine D belangrijk voor de groei en het behoud van je botten en gebit. Maar vitamine D ondersteunt ook je immuunsysteem. De belangrijkste bron van vitamine D is zonlicht. Onder invloed van zonlicht kan je huid deze vitamine zelf aanmaken. Het Voedingscentrum adviseert dan ook om in het voorjaar, de zomer en het najaar elke dag zo’n 15 tot 30 minuten tussen 11:00 en 15:00 uur je handen en gezicht aan de zon bloot te stellen. Het is natuurlijk wel belangrijk om je in te smeren met zonnebrand en een zonnebril te dragen. Zo bescherm je je huid en je ogen tegen de zon.

Tijd voor een nieuwe zonnebril? Online vind je genoeg hippe zonnebrillen voor dames. Welke is jouw favoriet?

Buiten zijn verbetert je kortetermijngeheugen

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat buiten (in de natuur) zijn een positieve invloed heeft op je kortetermijngeheugen. Voor dit onderzoek werden twee groepen vergeleken: de ene groep maakte een wandeling door een drukke stad en de andere groep maakte een wandeling door de natuur. Daarna werd een geheugentest afgenomen en de resultaten waren verrassend. De groep die een wandeling door de natuur had gemaakt, deed de geheugentest beduidend beter dan de groep die een wandeling door de stad had gemaakt. Conclusie: in de natuur hoeven je hersenen minder prikkels te verwerken, waardoor je hersenen écht even tot rust komen. Dit komt weer ten goede aan je kortetermijngeheugen.